maandag 17 januari 2011

A Forest ....

















  Met ingehouden adem stapt ze zo voorzichtig mogelijk uit bed, ervoor wakend dat ze niet op de krakende vloerplank terecht zal komen.
Op haar tenen sluipt ze naar de deur en wacht met openen tot ze het harde geluid van zijn gesnurk hoort.
Even zorgvuldig sluit ze de deur weer achter zich.
Op haar hoede loopt ze zo snel mogelijk door het kleine solide houten huis naar de kamer die het verst verwijderd is van de slaapkamer. Het gepiep dat ze hoort bij het openen van de deur doet haar hart bijna stilstaan. Ze wacht even of ze gestommel hoort aan de andere kant van het huis en haalt opgelucht adem bij de bijna serene stilte die haar omringd.


Het raam is de enige optie, daar was ze inmiddels wel achter gekomen.

Met al haar kracht probeert ze zo geruisloos mogelijk de grendel eraf te schuiven.

Het zweet staat inmiddels op haar voorhoofd en ze maant zichzelf in stilte om vooral rustig te blijven.

Ineens schiet de grendel van zijn plek en opgelucht schuift ze het onderste deel langzaam naar boven.

De frisse bries geeft haar een gelukzalig gevoel, een nieuwe energie stroomt met kracht door haar lijf.

Ze zwaait haar rechterbeen door het raam en schuift voorzichtig haar billen op het kozijn.

Ze weet dat de grond maar een klein stukje lager is en laat zich bedachtzaam zakken terwijl ze haar linkerbeen nu ook naar buiten zwiept. Een klein sprongetje en ze staat buiten.
Opluchting maakt echter snel plaats voor angst als ze om zich heen kijkt.


Zo ver haar oog reikt ziet ze alleen maar uitgestrekt bosgebied en ze heeft geen flauw idee welke kant ze op moet om de bewoonde wereld te bereiken.

Maar het enige dat ze nu moet doen is zo ver mogelijk bij het huis vandaan zien te komen.

Op haar blote voeten, slechts gekleed in haar slipje en shirt, rent ze naar de dichtstbij gelegen bomen en verdwijnt ertussen.



Zigzaggend rent ze zo snel ze kan tussen de hoge bomen door, terwijl ze met haar armen zoveel mogelijk de zwiepende takken uit haar gezicht probeert te weren. Ze voelt hoe het zweet over haar lijf gutst en het shirt aan haar huid plakt.

Ze moét af en toe stoppen om op adem te komen, haar conditie is ongeveer nihil na zo'n lange tijd opgesloten te hebben gezeten, met niet meer bewegingsvrijheid dan een tiental meters.

De pijnscheuten in haar zij doen niet onder voor haar pijnlijke voetzolen. De harde takken en scherpe bladeren dringen steeds dieper de weke huid binnen.

Als ze weer even stilstaat spits ze haar oren, hopend op een geluid dat er op duidt dat ze in de buurt van een weg is.

Maar alles wat ze hoort zijn bosgeluiden, de wind die door de boomtoppen blaast, het lichte geruis van de bladeren, een vogeltje dat vroeg wakker is, dingen waar ze normaal gesproken van zou genieten. Maar ze moet verder en liefst zo snel mogelijk. Met tussenpozen blijft ze rennen, zo hard als haar intussen bloedende voeten haar kunnen dragen.


Moe en dorstig vervloekt ze zichzelf dat ze niet beter voorbereid is. Kwaad op diegene die haar dit aangedaan heeft.

Tranen van onmacht lopen over haar wangen als ze voorover gebukt staat uit te hijgen, haar handen in haar zij. De zon komt al op en ze kijkt om zich heen, de uitdrukking door de bomen het bos niet meer zien, krijgt ineens een hele realistische betekenis.

Uren moet ze al gelopen hebben, maar nog steeds hoort ze niks nieuws, niets dat haar enigszins hoopvol stemt tenminste. Kwaad laat ze zich op haar knieën vallen en slaat moedeloos met haar vuisten op de vochtige aarde.

Uitgeput gaat ze even liggen en kijkt door het hoge bladerdek naar de zon die een paar sterke straaltjes naar haar besmeurde gezicht stuurt.

'Heel eventjes mijn ogen sluiten, heel even maar'.


Paniekerig opent ze haar ogen als ze een zacht gegrom hoort.

Ze kijkt recht in een paar gemene ogen en het gegrom wordt feller. Scherpe tanden, ontbloot in een kwijlende bek, wachten op een bevel om haar aan te vallen.

Een benauwende angst overvalt haar, ze voelt hoe haar hart bijna uit haar borstkas springt.

Een huivering trekt over haar ruggengraat als ze opkijkt en de zwarte ogen ziet die op haar neerkijken.

'Je kon het niet laten dus, het beetje vertrouwen dat ik je gegeven heb, heb je misbruikt. Het was ijdele hoop om te denken dat je zoveel van me houdt dat je me nooit zou verlaten.

Je bent al net zo'n hoer als je moeder, je weet niet hoe snel je de benen moet nemen nu ik je wat meer vrijheid geef. Hier zul je natuurlijk voor moeten boeten dat snap je hoop ik ook wel.


Sta op!'

Aarzelend staat ze op, pijnscheuten gieren door haar volledig uitgeputte lichaam.

Een eenzame traan biggelt over haar wang als ze hem smekend aankijkt.

'Met huilen bereik je niks, dat heeft je moeder lang genoeg geprobeerd. Het ondankbare nest heeft zich letterlijk dood gejankt. Ik dacht dat jij anders was. Nou opschieten, lopen!'

Strompelend zet ze haar ene voet voor de andere, haar uiterste best doend om niet te vallen.

Ze hoort de hond vlak achter zich, zijn gehijg en gegrom bijna voelend.

'We hadden toch een deal samen? Je neemt je moeders plek in, tot de dood ons scheidt. Of niet soms?'

Met een droge mond en gebarsten lippen probeert ze geluid uit haar keel te persen.

'Ik hoor je niet! Wat zeg je?'

'Ja-a Papa, tot de dood ons scheidt'.

Tevreden knikt hij.



©José '10

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten