donderdag 10 maart 2011

Wreed.....















Daar waren ze weer, de stemmen.
Afwisselend een barse en een aangename, vriendelijke stem.
Aan de intonatie hoorde hij dat er een hevige woordenwisseling op komst was.
Als in een reflex rolde hij zijn lijf op als een bal om te proberen het verontrustende geluid buiten te sluiten.

‘Het kan zo niet langer Tim, we moeten iets doen, de mensen hier in de buurt worden steeds nieuwsgieriger!’
‘Hou toch je mond mens! Wat denk je nou dat ze zullen doen! Een inval? Doe toch normaal, je moet je niet zo op laten naaien door die nieuwsgierige op sensatie beluste waswijven! Er zijn echt wel meer mensen op de wereld die een Ierse Wolfshond als huisdier hebben.’
‘Maar ze vragen steeds waarom we hem niet uitlaten!’
‘Sinds wanneer is onze achtertuin een publiek park geworden dan? De tuin is helemaal afgeschermd, vandaar dat ze hem nooit zien en alleen maar horen. Godverdomme denk zelf toch eens een keer na mens!’

Hij hoorde hoe de stemmen vervaagden en ontspande enigszins opgelucht zijn lichaam.
Nóg voelde hij de pijn van de vorige keer, de schoppen in zijn zij omdat hij geen honger had gehad. Het allerergste was de trap tegen zijn hoofd geweest, een explosie van sterren had hij gezien en daarna was alles zwart geworden.
Voorzichtig, zonder geluid te maken met zijn ijzeren halsband, probeerde hij rechtop te gaan staan, maar de verzwakte spieren konden zijn grote logge lijf niet meer dragen tegenwoordig.
Al in geen tijden was hij boven geweest, laat staan naar buiten in de frisse lucht.
Berustend liet hij zich op de stugge paardendeken vallen, midden in zijn eigen uitwerpselen.

Hij schrok wakker van een zware knal en dook weer bang in elkaar.
Zware voetstappen klonken boven zijn hoofd als donderslagen. Deuren werden opengerukt en schreeuwende stemmen riepen door elkaar heen.
Doodsbenauwd begon hij zachtjes te janken…

‘Hier is nog een deur!!’

De harde stem klonk nu heel dichtbij. Zover mogelijk probeerde hij zich in de uiterste hoek te drukken zonder geluid te maken. Bibberend wachtte hij af op wat ging komen.
Met het hevige gekraak kwam ook subtiel licht binnen. Vreemde stemmen.

O mijn God!! Hiér jongens!!’
‘Mijn hemel, die stank! Waarom willen mensen in godsnaam een hond als ze hem toch alleen maar verwaarlozen! Blij dat de buren de politie gebeld hebben, ik hoop dat we dicht genoeg bij hem kunnen komen zonder dat hij ons aanvalt’
‘Er is een dierenarts onderweg om hem als het nodig is even onder zeil te brengen met een verdovingspijltje. Ik was echt niet van plan om ook nog hondsdolheid op te lopen! Zie jij hier ergens een lichtschakelaar? Met die zaklantaarns zien we niet genoeg’

Een scherp licht verdrong nu het aardedonker. Vaag zag hij twee gestalten boven aan de keldertrap staan. Bang als hij was deed hij het enige dát hij kon. Langzaam ontblootte hij zijn tanden en begon te grommen, steeds harder.

Met stomheid geslagen staarden de mannen naar beneden.
Daar aan een stevige ketting lag een zwaar gehandicapte jongen als een hond te grommen, een paar donkere, bange ogen staarden nietsziend omhoog naar de mannen boven aan de keldertrap.
‘Mijn God Jack, we kunnen beter een dokter bellen’.


©José '11



 






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen